zaaknummer 200800076/1
datum van uitspraak woensdag 13 augustus 2008
tegen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
proceduresoort Hoger beroep
rechtsgebied Kamer 3 - Hoger Beroep - Wet openbaarheid van bestuur
200800076/1.
Datum uitspraak: 13 augustus 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2772 van de rechtbank Alkmaar van 6 november 2007 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1. Procesverloop
Bij brief van 13 februari 2006 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten en het verstrekken van informatie, afgewezen.
Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 november 2007, verzonden op 15 november 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 augustus 2006 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van [appellant] tegen de gestelde weigering van de minister om duidelijkheid te verschaffen over zijn beleid ten aanzien van het inlijven van personen in de Nederlandse adel (hierna: inlijvingsbeleid) ongegrond is verklaard, het bezwaar van [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dit deel van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2008.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2008, heeft [appellant] geweigerd de toestemming bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te verlenen.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te Den Haag, is verschenen. Tevens is aan de zijde van de minister verschenen drs. M.C.J.M. Hermes, ambtenaar in dienst van het ministerie.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), voor zover thans van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering over persoonlijke beleidsopvattingen informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm.
2.2. Bij e-mailbericht van 16 december 2005 heeft [appellant] de minister verzocht om inlichtingen over het inlijvingsbeleid en de voor inlijving in de Nederlandse adel geldende bewijsvereisten. Voorts heeft hij verzocht om een deugdelijke motivering van het Koninklijk Besluit van 15 mei 1996 tot inlijving van de kinderen van prinses Irene in de Nederlandse adel met toekenning van de titel prins of prinses en het predikaat koninklijke hoogheid (hierna: het inlijvingsbesluit), alsmede om het verstrekken van alle mogelijke informatie met betrekking tot dit besluit.
2.3. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister ter toelichting op het door hem gevoerde inlijvingsbeleid verwezen naar de Wet op de adeldom en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan. Voorts heeft de minister feitelijke informatie over de gang van zaken rond de inlijving in de Nederlandse adel van de kinderen van prinses Irene verstrekt. Daarnaast heeft de minister de reeds openbaar gemaakte achterliggende stukken bij het inlijvingsbesluit aan [appellant] doen toekomen en zich ten aanzien van de niet openbaar gemaakte achterliggende stukken op het standpunt gesteld dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en artikel 11, eerste lid, van de Wob aan openbaarmaking van die documenten in de weg staan.
2.4. [appellant] betoogt allereerst dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, omdat deze niet is gedaan door een onpartijdig en onafhankelijk gerecht.
2.4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met de voor het ambt van rechter geldende benoemingsvereisten en de benoemingsprocedure is beoogd algemene waarborgen te bieden voor de rechterlijke onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Het algemene betoog van [appellant] omtrent de verhouding tussen degenen die met rechtspraak zijn belast en de koning, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat in dit geval niet voldaan is aan de eisen van rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid omdat het aan de rechtbank voorgelegde geschil betrekking heeft op informatie over kinderen van een persoon die tot de koningin in een familierelatie staat. Het betoog behelst geen enkele concrete indicatie dat de rechtbank om die reden niet onafhankelijk en onpartijdig is geweest in haar oordeelsvorming.
2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zijn bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren voor zover dit was gericht tegen de reactie van de minister op zijn verzoek om uitleg van het inlijvingsbeleid.
2.5.1. Met de rechtbank wordt overwogen dat de reactie van de minister op dit onderdeel van zijn verzoek, niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve niet is aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De reactie op een verzoek om uitleg van beleid is geen beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 3 van de Wob en het verschaffen van die uitleg is niet gericht op rechtsgevolg. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister het tegen de door hem gegeven reactie gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het betoog faalt.
2.6. Voorts heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, zijn verzoek om het verstrekken van een motivering van het inlijvingsbesluit kunnen opvatten als gericht op openbaarmaking van de achterliggende stukken bij dit besluit. Het betoog van [appellant] dat hij heeft bedoeld ingevolge artikel 3:48 van de Awb om een motivering van het inlijvingsbesluit te verzoeken, leidt niet tot een ander oordeel. Het tweede lid van die bepaling ziet op het geval dat vermelding van de motivering van een besluit achterwege is gebleven omdat werd aangenomen dat daaraan geen behoefte bestond. Het alsnog desverzocht verstrekken van die motivering is niet het nemen van een besluit dat vervolgens afzonderlijk, los van het besluit waarop de motivering ziet, vatbaar is voor bezwaar en beroep. Ook dit betoog faalt.
2.7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek, voor zover dit ziet op het verkrijgen van de achterliggende stukken bij het inlijvingsbesluit, strekt tot het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg als werd beoogd met een eerder door [familie appellant] bij de minister ingediend verzoek. De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om die reden aangemerkt als een herhaald verzoek en het door hem ingestelde beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde gedeeltelijke afwijzing hiervan daarom ongegrond verklaard, reeds omdat door [appellant] geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd.
2.7.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, dient bij beantwoording van de vraag of sprake is van een herhaald verzoek, mede in aanmerking te worden genomen of beide verzoeken van dezelfde verzoeker of verzoekers zijn uitgegaan. Nu niet is komen vast te staan dat die situatie zich hier voordoet, heeft de rechtbank zich ten onrechte onthouden van het geven van een inhoudelijk oordeel over de weigering van de minister het verzoek om openbaarmaking volledig in te willigen. Het betoog van [appellant] slaagt in zoverre.
2.7.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de in bezwaar gehandhaafde weigering van de minister om alle achterliggende stukken bij het inlijvingsbesluit openbaar te maken. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant] in zoverre beoordelen.
2.8. Door zijn weigering de Afdeling de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming te verlenen, heeft [appellant] de Afdeling in zoverre de mogelijkheid ontnomen de rechtmatigheid van het bestreden besluit te toetsen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 16 juli 2008 in zaak nr. 200706900/1), volgt dat de gevolgen van een dergelijke weigering in beginsel voor rekening komen van degene die de toestemming heeft geweigerd. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt geen grond hierop een uitzondering te maken. De Afdeling gaat er voorts van uit dat de minister openbaarmaking heeft geweigerd van de stukken waarover de Afdeling eerder (uitspraak van 20 april 2005 in zaak nr. 200405981/1) naar aanleiding van eenzelfde verzoek als thans voorligt, heeft geoordeeld dat openbaarmaking daarvan achterwege mocht blijven, nu de minister dit in zijn besluit op bezwaar heeft gesteld en dit standpunt door [appellant] niet is bestreden. Hetgeen door [appellant] is aangevoerd biedt geen grond over de rechtmatigheid van die weigering thans anders te oordelen. De Afdeling zal het beroep van [appellant] in zoverre daarom alsnog ongegrond verklaren.
2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 november 2007 in zaak nr. 06/2772, voor zover de rechtbank daarbij geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over het besluit van de minister van 17 augustus 2006, kenmerk BK06/50991, voor zover bij dat besluit de weigering is gehandhaafd tot openbaarmaking van alle achterliggende stukken bij het Koninklijk Besluit van 15 mei 1996 tot inlijving van de kinderen van prinses Irene in de Nederlandse adel met toekenning van de titel prins of prinses en het predikaat koninklijke hoogheid;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond;
IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008
350-546.
Breaking news, historic legacies, and modern monarchy. Bringing you the untold news of global nobility.
Showing posts with label Prinses Irene. Show all posts
Showing posts with label Prinses Irene. Show all posts
13 August, 2008
02 January, 2007
Irene's kleinzoon wordt niet erkend

Achterkleinzoon van wijlen koningin Juliana, achterneef van koningin Beatrix, enig kleinkind van prinses Irene én zoon van prins Carlos: de koninklijke banden van de in 1997 geboren Carlos Klynstra uit Hummelo zijn niet gering. Maar toch is het schattige ventje niet welkom in de paleizen en is er geen contact met zijn vader of diens familie. laatst stond Carlos Jr. weliswaar oog in oog met zijn tante Beatrix-toen hij samen met zijn moeder in hetzelfde hotel in Lech logeerde-maar zijn komst zorgde eerder voor paniek dan voor verbroedering.
De beveiliging van de koningin kwam zelfs bij Nederlandse fotografen portretten van Carlos en Brigitte vragen. Wat bezielt de volgens velen zo menselijke prinses Irene om geen contact te hebben met haar enige kleinkind? En is het terecht dat een jongen zijn familie van vaderskant alleen maar kent van televisie en foto's? Volgens buurtbewoners is Carlos Jr. een hartelijke en vrolijke jongen die dol is op ravotten in de bossen met vriendjes en vriendinnetjes. Hij is ook een verwoed golfer, een hobby die hij deelt met veel leden van de koninklijke familie. Er is geen DNA-test nodig om vast te stellen dat Carlos een zoon is van Carlos de Bourbon de Parme, de toekomstige Hertog van Parma.
Wie jeugdfoto's van de prins naast die van zijn zoon legt ziet de verbluffende gelijkenissen. Bovendien heeft prins Carlos in een nog cryptische verklaring kort na de geboorte van Carlos Jr. het kind al min of meer erkend. Via een woordvoerder zei hij:
'Carlos de Bourbon de Parme heeft veel sympathieke reacties ontvangen op het bericht. Hij hecht er mede daarom aan te laten weten dat het een eigen, zelfstandige beslissing van mevrouw Klynstra is geweest om moeder te willen worden, welke beslissing hij volledig respecteert. Er bestaat echter geen familierechtelijke betrekking tussen hem en de pasgeborene en het mag uitgesloten worden geacht dat die er zal komen. Carlos de Bourbon de Parme vraagt er deze begrip voor, speciaal bij de media, dat hij zich afzijdig zal houden en het ook niet gepast vindt op de achtergronden in te gaan'.
Alleen op het geboortebewijs van Carlos Klynstra ontbreken de namen van de prins. Voor kleine Carlos is het geen geheim dat hij behoorde tot de beroemste familie van Nederland. Zijn stamboom is indrukwekkend. Hij stamt af van beroemdheden als de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV, de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia, Willem de Veroveraar en Nederlandse vorstinnen als Wilhelmina en Juliana. Nu wellicht allemaal niet zo belangrijk, maar als hij zich later bewust wordt van zijn afkomst kan hij alsnog naar de rechter gaan om de naam en titels van zijn vader op te eisen.
Volgens Mr. Sewandono, destijds universitair docent constitutioneel recht en bestuursrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, kan dit namelijk. Sewandono stelde in het Nederlands Juristenblad dat Carlos Jr. via de rechter zijn aanspraak op de adellijke titels kan afdwingen. Goede redenen om Carlos Jr. niet formeel te erkennen zijn er niet, meent de jurist Sewandono. Als vader Carlos zijn zoon erkent, heeft Carlos Klynstra recht op de adellijke titels van zijn vaderen diens achternaam. Carlos Klynstra wordt dan: Zijne koninklijke hoogheid Carlos Hugo Roderik Sybren prins de Bourbon de Parme.
Bron: www.koningkeizerrijken.info
20 April, 2005
Uitspraak WOB- Stukken waarbij de kinderen van prinses Irene worden ingelijfd in de Nederlandse adel
zaaknummer 200405981/1
datum van uitspraak woensdag 20 april 2005
tegen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
proceduresoort Hoger beroep
rechtsgebied Kamer 3 - Hoger Beroep - Wet openbaarheid van bestuur
200405981/1.
Datum uitspraak: 20 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 juni 2004 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) een verzoek van appellant om openbaarmaking van de stukken die ten grondslag liggen aan het koninklijk besluit van 15 mei 1996, waarbij de kinderen van prinses Irene worden ingelijfd in de Nederlandse adel met toekenning van de titel prins of prinses en het predikaat van Koninklijke Hoogheid, geweigerd.
Bij besluit van 24 september 2003 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 juni 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 15 juli 2004 en 16 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 19 oktober 2004 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Bij brieven van 7, 20, 24 en 29 oktober 2004 heeft appellant nadere stukken ingediend.
Bij brief van 2 november 2004 heeft de minister van antwoord gediend.
Bij brieven van 24 november 2004 en 23 februari 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2005, waar appellant in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge het derde lid van artikel 3 wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge de Wob achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen beleidsopvattingen.
Ingevolge het tweede lid van artikel 11 kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wob wordt onder intern beraad verstaan het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wob wordt onder persoonlijke beleidsopvatting verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.
2.2. Ter zitting heeft appellant medegedeeld zijn oorspronkelijke verzoek om informatie te beperken tot door hem nader aangeduide stukken.
2.3. Ter zitting heeft de minister uiteengezet dat het koninklijk besluit van 15 mei 1996 in de Staatscourant van 20 mei 1996 is gepubliceerd en dat de correspondentie over de inlijving tussen de minister en de Tweede Kamer eveneens openbaar is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister in redelijkheid heeft kunnen weigeren de reeds openbare documenten aan appellant te verstrekken. Voor wat betreft het koninklijk besluit zelf, heeft de minister ter zitting overigens toegezegd appellant een afschrift hiervan te zullen doen toekomen.
2.4. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de door de minister overgelegde stukken, overweegt de Afdeling als volgt.
2.5. Tot de stukken behoren onder meer een door de kinderen van prinses Irene op 11 januari 1996 ondertekend aanvraagformulier tot inlijving in de Nederlandse adel, een brief van 11 januari 1996 waarbij de Directeur van het Kabinet der Koningin aan de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken dit aanvraagformulier heeft aangeboden, een brief van 1 maart 1996 waarbij namens die minister het aanvraagformulier aan de Hoge Raad van adel is aangeboden en een brief van 10 mei 1996 waarbij deze minister aan de koningin het ontwerp van het koninklijk besluit tot inlijving heeft aangeboden.
Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze stukken niet opgesteld ten behoeve van intern beraad en bevatten ze geen gegevens die de persoonlijke levenssfeer van de bij de inlijving betrokkenen zouden schaden. Derhalve heeft de minister ten onrechte met een beroep op artikel 11, eerste lid, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob geweigerd deze documenten aan appellant te verstrekken. De rechtbank heeft dit miskend.
2.6. Met betrekking tot de overige door de minister overgelegde stukken voorzover appellant daaromtrent, gelet op de beperking van zijn verzoek om informatie ter zitting in hoger beroep, nog informatie wenst, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat deze zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat de minister terecht heeft geoordeeld dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen.
Dat het koninklijk besluit inmiddels is genomen, betekent, anders dan appellant betoogt, niet dat de openbaarmaking van deze persoonlijke beleidsopvattingen niet mag worden geweigerd. Uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 11 van de Wob (Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19 859, nr. 3, p. 14) blijkt immers dat ook wanneer een document geen onderwerp van intern beraad meer uitmaakt, de persoonlijke beleidsopvattingen op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob beschermd blijven.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voorzover in die stukken feiten zijn opgenomen, deze dermate nauw met die beleidsopvattingen zijn verweven, dat de minister openbaarmaking ervan met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob terecht heeft geweigerd.
Voorts leidt hetgeen appellant heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft mogen afzien van gebruikmaking van zijn in artikel 11, tweede lid, van de Wob neergelegde bevoegdheid.
2.7. Nu de rechtmatigheid van het koninklijk besluit van 15 mei 1996 in deze procedure niet aan de orde is, dient hetgeen appellant hieromtrent heeft aangevoerd buiten beschouwing te worden gelaten.
2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij het beroep tegen de gehandhaafde weigering de onder 2.5 vermelde documenten aan appellant te verstrekken, ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beslissing op bezwaar vernietigen, voorzover het betreft de handhaving van de weigering de onder 2.5 vermelde documenten te verstrekken, het bezwaar in zoverre gegrond verklaren en het besluit van 19 juni 2003 herroepen, in zoverre daarbij is geweigerd de hiervoor vermelde documenten openbaar te maken. De Afdeling zal de minister gelasten de desbetreffende documenten aan appellant te verstrekken en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar voorzover deze is vernietigd.
2.9. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 juni 2004, WOB 03/1397, voorzover het beroep tegen de gehandhaafde weigering om het aanvraagformulier van 11 januari 1996 en de aanbiedingsbrieven van 11 januari 1996, 1 maart 1996 en 10 mei 1996 aan appellant te verstrekken ongegrond is verklaard;
II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;
III. vernietigt het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 september 2003, BK03/76660, voorzover het betreft de handhaving van de weigering de onder I. vermelde documenten te verstrekken;
IV. verklaart het bezwaar in zoverre gegrond;
V. herroept in zoverre het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 juni 2003, BK03/67104;
VI. bepaalt dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties appellant de onder I. vermelde documenten verstrekt;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;
VIII. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IX. veroordeelt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 27,98; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
X. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 116,00 + € 205,00 = € 321,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005
91-419.
--------------------------------------------------------------------------------
datum van uitspraak woensdag 20 april 2005
tegen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
proceduresoort Hoger beroep
rechtsgebied Kamer 3 - Hoger Beroep - Wet openbaarheid van bestuur
200405981/1.
Datum uitspraak: 20 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 juni 2004 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) een verzoek van appellant om openbaarmaking van de stukken die ten grondslag liggen aan het koninklijk besluit van 15 mei 1996, waarbij de kinderen van prinses Irene worden ingelijfd in de Nederlandse adel met toekenning van de titel prins of prinses en het predikaat van Koninklijke Hoogheid, geweigerd.
Bij besluit van 24 september 2003 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 juni 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 15 juli 2004 en 16 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 19 oktober 2004 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Bij brieven van 7, 20, 24 en 29 oktober 2004 heeft appellant nadere stukken ingediend.
Bij brief van 2 november 2004 heeft de minister van antwoord gediend.
Bij brieven van 24 november 2004 en 23 februari 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2005, waar appellant in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge het derde lid van artikel 3 wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge de Wob achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen beleidsopvattingen.
Ingevolge het tweede lid van artikel 11 kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wob wordt onder intern beraad verstaan het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wob wordt onder persoonlijke beleidsopvatting verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.
2.2. Ter zitting heeft appellant medegedeeld zijn oorspronkelijke verzoek om informatie te beperken tot door hem nader aangeduide stukken.
2.3. Ter zitting heeft de minister uiteengezet dat het koninklijk besluit van 15 mei 1996 in de Staatscourant van 20 mei 1996 is gepubliceerd en dat de correspondentie over de inlijving tussen de minister en de Tweede Kamer eveneens openbaar is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister in redelijkheid heeft kunnen weigeren de reeds openbare documenten aan appellant te verstrekken. Voor wat betreft het koninklijk besluit zelf, heeft de minister ter zitting overigens toegezegd appellant een afschrift hiervan te zullen doen toekomen.
2.4. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de door de minister overgelegde stukken, overweegt de Afdeling als volgt.
2.5. Tot de stukken behoren onder meer een door de kinderen van prinses Irene op 11 januari 1996 ondertekend aanvraagformulier tot inlijving in de Nederlandse adel, een brief van 11 januari 1996 waarbij de Directeur van het Kabinet der Koningin aan de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken dit aanvraagformulier heeft aangeboden, een brief van 1 maart 1996 waarbij namens die minister het aanvraagformulier aan de Hoge Raad van adel is aangeboden en een brief van 10 mei 1996 waarbij deze minister aan de koningin het ontwerp van het koninklijk besluit tot inlijving heeft aangeboden.
Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze stukken niet opgesteld ten behoeve van intern beraad en bevatten ze geen gegevens die de persoonlijke levenssfeer van de bij de inlijving betrokkenen zouden schaden. Derhalve heeft de minister ten onrechte met een beroep op artikel 11, eerste lid, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob geweigerd deze documenten aan appellant te verstrekken. De rechtbank heeft dit miskend.
2.6. Met betrekking tot de overige door de minister overgelegde stukken voorzover appellant daaromtrent, gelet op de beperking van zijn verzoek om informatie ter zitting in hoger beroep, nog informatie wenst, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat deze zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat de minister terecht heeft geoordeeld dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen.
Dat het koninklijk besluit inmiddels is genomen, betekent, anders dan appellant betoogt, niet dat de openbaarmaking van deze persoonlijke beleidsopvattingen niet mag worden geweigerd. Uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 11 van de Wob (Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19 859, nr. 3, p. 14) blijkt immers dat ook wanneer een document geen onderwerp van intern beraad meer uitmaakt, de persoonlijke beleidsopvattingen op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob beschermd blijven.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voorzover in die stukken feiten zijn opgenomen, deze dermate nauw met die beleidsopvattingen zijn verweven, dat de minister openbaarmaking ervan met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob terecht heeft geweigerd.
Voorts leidt hetgeen appellant heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft mogen afzien van gebruikmaking van zijn in artikel 11, tweede lid, van de Wob neergelegde bevoegdheid.
2.7. Nu de rechtmatigheid van het koninklijk besluit van 15 mei 1996 in deze procedure niet aan de orde is, dient hetgeen appellant hieromtrent heeft aangevoerd buiten beschouwing te worden gelaten.
2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij het beroep tegen de gehandhaafde weigering de onder 2.5 vermelde documenten aan appellant te verstrekken, ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beslissing op bezwaar vernietigen, voorzover het betreft de handhaving van de weigering de onder 2.5 vermelde documenten te verstrekken, het bezwaar in zoverre gegrond verklaren en het besluit van 19 juni 2003 herroepen, in zoverre daarbij is geweigerd de hiervoor vermelde documenten openbaar te maken. De Afdeling zal de minister gelasten de desbetreffende documenten aan appellant te verstrekken en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar voorzover deze is vernietigd.
2.9. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 juni 2004, WOB 03/1397, voorzover het beroep tegen de gehandhaafde weigering om het aanvraagformulier van 11 januari 1996 en de aanbiedingsbrieven van 11 januari 1996, 1 maart 1996 en 10 mei 1996 aan appellant te verstrekken ongegrond is verklaard;
II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;
III. vernietigt het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 september 2003, BK03/76660, voorzover het betreft de handhaving van de weigering de onder I. vermelde documenten te verstrekken;
IV. verklaart het bezwaar in zoverre gegrond;
V. herroept in zoverre het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 juni 2003, BK03/67104;
VI. bepaalt dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties appellant de onder I. vermelde documenten verstrekt;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;
VIII. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IX. veroordeelt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 27,98; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
X. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 116,00 + € 205,00 = € 321,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005
91-419.
--------------------------------------------------------------------------------
Subscribe to:
Posts (Atom)