Showing posts with label Coen baron Schimmelpenninck van der Oije. Show all posts
Showing posts with label Coen baron Schimmelpenninck van der Oije. Show all posts

04 February, 2008

'De Hoge Raad van Adel, het klinkt indrukwekkend'


Liesbeth Wytzes ontmoet voorzitter Hoge Raad van Adel Coen Schimmelpenninck van der Oije

Erkenning, inlijving, verheffing: drie manieren om een adelstitel te krijgen. Theoretisch dan. In werkelijkheid lukt het bijna niemand meer. De wet is streng - en anders de Hoge Raad van Adel wel. Voorzitter baron Schimmelpenninck van der Oije 'We moeten achterdochtig zijn: er zijn weleens vervalsingen geweest.'

Wie om wat voor reden dan ook denkt het recht te hebben een titel te voeren en zich van adel te noemen, krijgt dat niet zomaar gedaan. Die moet zijn bewijzen - zoals een zo omvangrijk en volledig mogelijke stamboom - overleggen aan de Hoge Raad van Adel. Die oordeelt uiteindelijk. De Hoge Raad van Adel bewaakt, met de wet in de hand, als een Cerberus de poorten van dat exclusieve gezelschap, de Nederlandse adel.

De Hoge Raad van Adel, het klinkt indrukwekkend. Het is dan ook, net als de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en de Nationale Ombudsman, een Hoog College van Staat - een onafhankelijk adviesorgaan voor de overheid - zij het zeer klein. Het is nadrukkelijk géén belangenvereniging. Het kantoor is gevestigd in een mooi huis aan de keurige Haagse Nassaulaan. De Raad bestaat bijna alleen uit adel.

Voorzitter is al sinds 1991 Coen baron Schimmelpenninck van der Oije. Verder hebben zitting jonkvrouw M. van den Brandeler, jonkheer dr. F.K.M. van Nispen tot Pannerden, mr. H.C.R.M. baron de Wijkerslooth de Weerdesteijn.

Bron: Elsevier.nl

Reactie 1
Prins(es) De Bourbon de Parme

Volgens baron Schimmelpenninck van der Oije is de opname in de Nederlandse adel (1996) van de prins(ess)en De Bourbon de Parme, kinderen van prinses Irene, terecht. Maar reeds het NRC Handelsblad van 31 juli 1999 (voorpag.) berichtte, dat hun 'inlijving' erdoor was gedrukt. Aangezien de adel van Frankrijk (Bourbon) of van Italië (Parma) niet bij wet is erkend -want dat verlangt de Nederlandse Wet op de adeldom-, zou alleen Spaanse adeldom een grondslag opleveren voor inlijving hier als De Borbón Parma. Het Spaanse Ministerie van Justitie, dat geregeld een officiële adelslijst uitgeeft (getiteld: Grandezas y Titolos del Reino, Guía oficial) verklaarde echter dat noch prins Carel Hugo, noch een van zijn kinderen er tot de adel behoorde. De Hoge Raad van Adel is er al lang van op de hoogte, dat het allemaal niet klopt.

Dit voorbeeld maakt tevens duidelijk hoe ongelukkig de Wet op de adeldom uit 1994 is. De oudste Europese adel (44ste generatie, in mannelijke lijn) kan niet eens op rechtmatige wijze tot de adel van het Nederlandse Koninkrijk behoren. Verder is het merkwaardig dat (in het algemeen gesteld) leden van een jongere tak van een adellijk geslacht, die gewoonlijk niet op het stamhuis bleef wonen maar op den duur in andere landen terecht kon komen, zodoende meer kans maken op inlijving hier dan leden van de hoofdtak. Voor de personen in kwestie is dat pijnlijk.

Titus v. Bönninghausen, Amsterdam


Reactie 2
Geen Hoog College van Staat

De Hoge Raad van Adel is niet bij de Grondwet ingesteld en dus geen Hoog College van Staat, anders dan Liesbeth Wytzes stelt in het interview met de voorzitter van de Hoge Raad van Adel (19 januari). Ze typeert deze Coen Schimmelpenninck van der Oije als een ‘moderne baron die in niets doet denken aan het steriotiepe beeld van een bejaarde die in een vervallen huis droomt van voorbije glorie’. Maar hoe modern ben je:
- als je je eigen adelstandje krampachtig probeert af te sluiten voor vrije concurrentie in een standenloze samenleving ?
- als je met hele en halve verdichtsels vrouwen wilt blijven achterstellen bij mannen?
- als je bij inlijving van buitenlandse edellieden Indische adel achterstelt bij Deense, Duitse, Russchische of Spaanse adel?
- als je ad-hocbeleid en willekeur prefeert boven gelijkheid voor de wet?

Mij dunkt: dan is de Verlichting aan je voorbij geraasd. Deze charmante behoeder van naar binnen gericht verval zou niet tot zijn zeventigste moeten wachten om dan door cooptatie zijn eigen opvolger aan te wijzen. Nee, open sollicitatieprocedures voor nieuw elan en modern, non-discriminatoir beleid voor de adel.

J. Taets van Amerongen, Hilversum

19 January, 2008

Verre Verwanten bij de Hoge Raad van Adel


Verre Verwanten gaat het land in, op zoek naar oude verhalen op historisch belangrijke plekken. Vandaag een uitzending vanuit het gebouw van de Hoge Raad van Adel in Den Haag. Hier wordt de geschiedenis verteld van genealogisch en historisch zeer bijzondere families: de Nederlandse adel.

Ben Kolster praat met voorzitter Coen baron Schimmelpenninck van der Oije en de secretaris van de Raad Mr. Egbert Wolleswinkel. Een gesprek over het ontstaan van het begrip adel, de positie van deze groep in de geschiedenis, het aantal adellijke families in Nederland, en de betekenis van de adel vandaag de dag.

Conrad Gietman geeft verslaggeefster Ingrid Koning een kijkje in het oude adellijke leven: rouwborden, wapens en een album amicorum, een soort poezie-album uit de 16de eeuw, bijgehouden door een meisje van adel.

Uitzending van 19 januari 2008 beluiteren

30 May, 2006

Nationale Ombudsman: "Gedraging van secretaris Egbert Wolleswinkel van de Hoge Raad van Adel is niet behoorlijk" (2)


In het maandblad Quote van juni 2004 verscheen een artikel over verlening van adeldom in Nederland met als titel 'Noblesse Manquée'. Het artikel bavat onder meer de volgende passage:
Minder begrip kan (de secretaris van de Hoge Raad van Adel; N.o.) opbrengen voor het fanatisme van 'jonker' (naam verzoeker; N.o) en diens kornuiten van de Vereniging Buitenlandse Adel Nederland. 'Zij maken gebruik van argumenten en zogenaamde bewijzen die allerminst deugen. Deze mensen zie ik toch meer als..., hoe zeg je zoiets op een nette manier?' Querulanten? 'Dat zijn uw woorden.'

Verzoeker klaagde over de door de secretaris van de Hoge Raad van Adel geplaatste opmerkingen over hem en de zijnen tijdens een interview met het landelijk periodiek Quote.

De Nationale ombudsman overwoog dat in de verhouding tussen overheid en burgers beoordeling van individuele zaken door bestuursorganen in beginsel niet in de media behoort plaats te vinden. In het gelaakte interview uitte had de secretaris van de Hoge Raad van Adel op een vraag van de interviewer in de openbaarheid in algemene zin kritiek op de handelwijze van een groep burgers. Op zichzelf vond de Nationale ombudsman dit niet ontoelaatbaar. Het was dan ook niet onaanvaardbaar om een waardeoordeel te geven over gehanteerde argumentatie en bewijzen om te worden ingelijfd in de Nederlandse adel. Uit het artikel in Quote en het onderzoek was niet gebleken dat de secretaris van de Hoge Raad van Adel tot de persoon van verzoeker herleidbare informatie uit individuele dossiers had verstrekt. Daarmee had de secretaris van de Hoge Raad van Adel niet gehandeld in strijd met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Verzoeker had ook bezwaar tegen de kwalificatie 'querulanten'. De Nationale ombudsman overwoog dat de secretaris van de Hoge Raad van Adel zich van een stijlfiguur had bediend waarmee men juist datgene onderstreept wat men voorgeeft te willen verzwijgen. Hierdoor, en door te verklaren dat de passage een juiste weergave van zijn woorden was en door de publicatie ervan te autoriseren, had de secretaris van de Hoge Raad van Adel naar het oordeel van de Nationale ombudsman onvoldoende afstand genomen van de kwalificatie 'querulanten'. Nu aan het begrip querulant een negatieve connotatie is verbonden die ook nog eens kan duiden op vooringenomenheid was het naar het oordeel van de Nationale ombudsman niet betamelijk dat de secretaris van de Hoge Raad van Adel zich op deze wijze publiekelijk over verzoeker en de zijnen had uitgelaten. Daarmee had de secretaris van de Hoge Raad van Adel gehandeld in strijd met het vereiste van correcte bejegening.

Rapportnummer: 2006/0193

06 May, 2006

De middelmaat regeert


De opmars van de middenklasse heeft de oude bovenlaag van adel en patriciaat sinds de Tweede Wereldoorlog naar de marge geduwd. Volgens de sociologie een logische zaak. Alleen: het klopt niet. ‘Als negentien Jansens solliciteren en één De Beaufort, kies je de laatste.’

‘Het openbaar bestuur is minder dan vroeger voorzien van mensen met een achtergrond’, zegt advocaat Chris van Eeghen, telg uit een illuster Amsterdams patriciërsgeslacht. ‘Wij hebben uit onze opvoeding nog meegekregen dat je niet alleen voor jezelf werkt maar ook voor de maatschappij. Nu zitten besturen en organisaties vol mensen die niet beseffen dat ze voor anderen en met andermans geld bezig zijn.’

Van Eeghen wijt de malaise van de publieke zaak aan de opmars van de middenklasse. ‘Die mensen worden allemaal opgeleid tot middelmatigheid. De ambtelijke bureaucratie die daaruit resulteert, is een ware plaag. De politiek houdt dat systeem in stand. Zelfs de VVD is een middenstandspartij geworden.’

De opmars van de middenklasse heeft de oude bovenlaag van adel en patriciaat (aanzienlijke, niet-adellijke geslachten) sinds 1945 naar de marge geduwd. ‘Adel en patriciaat zijn een verdwijnend establishment’, zegt een prominent lid van de huidige bestuurlijke elite. ‘Mensen komen niet meer bovendrijven door afkomst, maar op basis van opleiding en ambitie.’

Dat zou volgens de sociologie ook een logische zaak zijn. Door de met modernisering verbonden meritocratie en sociale mobiliteit zou de invloed van oude elites afnemen. Ze verburgerlijken of sterven uit. Zeker in het toch al zo burgerlijke en egalitaire Nederland.

‘Het probleem is alleen: het klopt niet’, stelt onderwijssocioloog en adelonderzoeker Jaap Dronkers (Europees Universitair Instituut, Florence). ‘Natuurlijk is Nederland steeds meer een meritocratie geworden, maar dat geldt niet voor de sociale extremen: onderklasse en adel.’

Sterker, de oude elites spelen nog steeds een aanzienlijke rol, van oud-staatssecretaris Berend-Jan baron van Voorst tot Voorst, oud-Akzo-topman en supercommissaris jonkheer Aarnout Loudon tot Rabo-bestuurder Rik baron van Slingelandt. ‘Een adellijke titel is nog steeds een succesfactor voor het verwerven van topposities’, stelt Dronkers op basis van zijn onderzoek onder leden van studentenverenigingen.

Gevoel van verwantschap
De nog altijd niet verdwenen invloed van de adel blijkt ook uit de enquête die TNS Nipo in opdracht van de Volkskrant hield onder de bestuurlijke elite. Drie procent van de 278 respondenten blijkt van adel. Dat is minder dan vroeger, maar nog altijd relatief veel, gezien de omvang van de adel: elfduizend personen, ofwel 0,07 procent van de totale Nederlandse bevolking.

Coen baron Schimmelpenninck van der Oije, oud-directeur van het Maritiem Museum Rotterdam, is voorzitter van de Hoge Raad van Adel, een in 1814 opgericht orgaan dat de regering adviseert over adellijke kwesties. Hij erkent dat de adel nog altijd invloedrijke netwerken bezit, al wil hij niet echt van een samenhangende elite spreken. ‘Zo voelt men het zelf absoluut niet. Maar het zijn wel mensen die elkaar zeer regelmatig zien.’

De basis is een gevoel van verwantschap, zegt jonkheer Paul van Nispen tot Sevenaer, oud-bedrijfsadviseur en voorzitter van de Nederlandse Adelsvereniging. ‘Als ik iemand van adel tegenkom, ga ik uit van een vermoeden van vertrouwen. De meesten ken ik of kan ik plaatsen. Maar echt netwerken, dat leeft onder de adel niet zo.’

Nederland heeft minder oude adel dan Frankrijk of Duitsland. De huidige adel dateert vooral van na 1814, toen Willem I en II veel burgers in de adelstand verhieven om de monarchie te versterken. Na de invoering van de constitutionele monarchie in 1848, toen ook de adellijke privileges werden afgeschaft, werden die verheffingen schaars: de laatste was in 1939.

Nederland kent ook vooral ‘lagere’ adel: de titels graaf, burggraaf, baron en ridder, het ‘predikaat’ jonkheer en maar één hogere titel: prins(es) van Bourbon de Parme (de positie van het Huis van Oranje-Nassau is een verhaal apart). Van de zeshonderd sinds 1814 bekende adelsgeslachten in Nederland’s Adelsboek (het ‘Rode Boekje’), zijn er nog maar 324 over.

Het patriciaat is de andere groep die door afkomst vaak in de bestuurlijke elite figureert. Dit zijn aanzienlijke niet-adellijke geslachten die de afgelopen anderhalve eeuw steeds een prominente rol hebben gespeeld. Nederland’s Patriciaat (het ‘Blauwe Boekje’) bevat ruim 1700 van deze patriciërsfamilies, zoals Alberdingk Thijm, Fentener van Vlissingen, De Gaay Fortman, Korthals Altes, Labouchere, Patijn en Verrijn Stuart.

Hoe weten zulke kleine groepen zich nog steeds in de elite te manoeuvreren? Doordat ze van huis uit goede omgangsvormen, taalgebruik en culturele bagage meekrijgen, zegt Dronkers. Al is opleiding steeds belangrijker geworden, aldus Schimmelpenninck: ‘Ook adel kan moeilijk zonder diploma’s.’

Oude elites zoals de adel zijn gericht op familie, legt Dronkers uit. ‘Het adellijk zelfbewustzijn draait om het doorgeven van de familielijn, in een mate die gewone burgers zich niet kunnen voorstellen. Materieel erfgoed, maar ook de naam en faam van de familie. Ze zien zichzelf als schakel in een keten van generaties, niet als een individu dat zichzelf moet verwerkelijken. Dat maakt ze zo sterk.’

Die familieprojecten zijn in de loop der jaren met succes gemoderniseerd. Vroeger draaide het om vorst en vaderland, om leger, diplomatie en openbaar bestuur, inmiddels leidt de adel zijn telgen ook op voor functies in de financiële en de culturele wereld. Maar daarbij hoort nog altijd ook de verplichting aan de publieke zaak.

Schimmelpenninck: ‘De adel stelt er vanouds eer in maatschappelijke functies te vervullen, niet primair of juist helemaal niet om de beloning. Vacatiegelden kun je ook weigeren.’ Van Nispen: ‘Mijn vader was burgemeester in Oost-Brabant. Voor zulke publieke functies werd vroeger niet betaald. De adel voelde zich ertoe geroepen, uit een houding van dienstbaarheid. Dat ethos proberen we de jongeren ook nu nog altijd aan te leren.’

Bij het patriciaat is het niet anders. ‘Ik heb mijn kinderen geleerd dat je je nooit op je afkomst mag laten voorstaan’, zegt Van Eeghen. ‘En dat ze iets moeten doen voor de maatschappij.’

Het belangrijkste kapitaal van de adel is nog altijd de titel. Daarmee gaan immers deuren open, zegt Dronkers. ‘Als je bij twintig gelijkwaardige sollicitanten moet kiezen tussen negentien Jansens en één De Beaufort, kies je op rationele gronden de laatste, zoals je bij een verkoopster bij gelijkwaardige kandidaten het mooiste meisje kiest.’

Het getuigt overigens van slechte smaak om je titels te gebruiken, zegt Schimmelpenninck. ‘Ik zet de hele kerstboom er alleen bij als ik een subsidie-aanvraag doe.’

De status van de adel is er niet beter op geworden doordat zij inmiddels wettelijk is weggezet als historisch instituut. De Wet op de adeldom van 1994 bepaalt dat de regering geen burgers meer in de adelstand kan verheffen, iets wat overigens de facto al in 1953 door het kabinet-Drees was besloten.

De adel is nu dus een besloten club, met één uitzondering: nieuwe leden van het koninklijk huis kunnen nog wel geadeld worden. Zo kon Máxima prinses worden. Ook blijft de ‘inlijving’ van buitenlandse adel beperkt mogelijk.

Modernisering van de adel geblokkeerd
Pogingen de adel te moderniseren door overerving van titels in vrouwelijke lijn toe te staan, stuitten in 1997 op een veto van het kabinet-Kok. Dat vond dat je een op ongelijkheid gebaseerd historisch instituut niet moet willen moderniseren, te meer daar daardoor de adel in omvang zou verdubbelen.

De Hoge Raad van Adel wilde destijds juist vernieuwing, zegt Schimmelpenninck. ‘Ons voorstel was: zet adel en de koninklijke onderscheidingen in breder perspectief, en maak het mogelijk nieuwe leden te verheffen wegens verdienste, zoals bij het Britse niet-erfelijke lordship. Maar de regering wilde alleen de feitelijke situatie vastleggen. Een conservatoir beslag.’
De wereld van adel en patriciaat kalft ook op ander vlak af. Pijnlijk is dat de hofadel is gemarginaliseerd, vooral onder koningin Beatrix, die haar personeel op professionaliteit selecteert en haar zonen met burgermeisjes liet trouwen.
De rol van de adel in het openbaar bestuur is ook allang niet meer vanzelfsprekend, zegt Van Nispen. ‘Het politieke systeem is natuurlijk veranderd: je hebt profielschetsen en je moet lid zijn van een politieke partij. Bij de selectie heb je als adel wellicht nog een pre, maar de vraag is of je nog wel zover komt.’

Ook in het deftige patriciaat blijft niet alles bij het oude, zegt Van Eeghen. ‘Als iets al tien generaties zo is, is dat geen garantie dat het zo blijft. Je ziet achteruitgang bij veel families die lang aan het maatschappelijk firmament verkeren. Mensen uit aanzienlijke families zonder talent vallen zomaar uit het milieu.’

Landhuizen
Van Eeghens milieu, het oude Amsterdamse patriciaat, is dan ook niet meer wat het was. ‘Welke families hebben nog een huis in de Bocht? Bijna geen. Ons huis is door de naoorlogse generatie verkocht. Mijn moeder zei destijds: als we hier niet meer een juffrouw beneden en boven hebben, hoe moeten we daar dan nog eten?’

Met de adellijke landhuizen gaat het niet anders, zegt Schimmelpenninck. ‘De jongeren willen gewoon een tweede huisje in Frankrijk in plaats van zo’n familiehuis dat je steeds moet restaureren. Laatst zei iemand: ik word gek van die druk om dat huis in stand te houden. Hij verwarmde nog maar twee kamers, want het was anders slecht voor de wandbespanning.’

Het is een ongeschreven wet dat je niet met je adeldom te koop loopt, maar ook als groep houdt de adel zich al decennialang low profile.

Schimmelpenninck: ‘Vroeger deden we heel stilletjes over adellijke netwerken, want we waren in Nederland immers allemaal gelijk. Bij ons thuis werd nooit over adel gesproken. Op school wisten maar enkele kinderen ervan. Van pesterijen heb ik nooit last gehad, want ik was nogal groot uitgevallen.’
Dronkers ziet het als een reactie op het egalitaire maatschappelijk klimaat, zeker sinds de jaren zestig. ‘Lang proefde je bij de adel een enorme angst om voor gek versleten en buitengesloten te worden. Men durfde zich ook niet in het publieke debat te mengen, uit vrees voor egalitaire oprispingen.’

Niettemin lijkt inmiddels sprake van een revival. Er is enkele jaren terug een vereniging van jonge adel opgericht, de adelsbals komen terug, Friese en Zeeuwse ridderschappen zijn heropgericht. Dronkers: ‘De adel heeft meer zelfbewustzijn gekregen, mede dankzij het brede besef dat niet alles wat de sixties brachten, goed was.’ ‘De jonge generatie praat veel openlijker over adel dan wij vroeger’, zegt ook Schimmelpenninck. ‘Zij schaamt zich niet meer voor haar afkomst, en durft weer voor het eigen erfgoed uit te komen.’

Centraal in dat erfgoed staan volgens Van Nispen waarden als beschaving, verantwoordelijkheid en bescheidenheid. ‘En ik geloof dat wij daarmee als adel nog altijd een positieve bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij.’

Van Eeghen is sceptisch: ‘De Nederlandse elites, niet alléén adel en patriciaat, hebben de kwaliteit van leven in dit land lang weten te bewaken. Dat is voorbij. Vroeger werd er op de verjaardag van de koningin gezongen. Nu heb je overal in de stad luidsprekers met vreselijk geblèr. Maar ja, wat wil je, als het koninklijk huis zelf feestavonden geeft in de Amsterdam Arena. Er heerst een enorme patatcultuur, en die is niet meer omkeerbaar, vrees ik.’

Geplaatst op 06-05-2006 09:53 door Wilco Dekker & Ben van Raaij in categorie actualiteit
Bron: http://www.volkskrantblog.nl/bericht/49257

17 September, 2001

Nationale Ombudsman: "Gedraging van secretaris Otto Schutte van de Hoge Raad van Adel is niet behoorlijk" (1)


ALGEMEEN
1. Bij besluiten van 28 oktober 1996 en 14 maart 1997 wees de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van verzoekers familie om inlijving in de Nederlandse adel af. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op 5 januari 2000 deed de arrondissementsrechtbank, sector Bestuursrecht, te 's-Gravenhage, uitspraak waarbij het beroep ongegrond werd verklaard.

II. Ten aanzien van het toezenden van de uitspraak door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voornoemde uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage in niet-geanonimiseerde vorm heeft toegezonden aan een derde.

2. Hoewel rechterlijke uitspraken in beginsel openbaar zijn, betekent dit niet dat bij de eventuele verdere verspreiding van deze uitspraken geen rekening behoeft te worden gehouden met het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Ingevolge artikel 8:79, eerste lid, Awb ontvangen partijen van de griffier van de rechtbank een afschrift van de uitspraak. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder in het onderhavige geding, beschikte uit dien hoofde over de schriftelijke uitspraak. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen ook anderen dan partijen afschriften of uittreksels van de uitspraak verkrijgen (zie Achtergrond, onder 1). Uit de memorie van toelichting blijkt dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer meebrengt dat onder omstandigheden volstaan moeten worden met het verstrekken van een uittreksel. (zie Achtergrond, onder 2.)

3. Van een bestuursorgaan mag worden verwacht dat het zorgvuldig omgaat met persoonlijke gegevens van burgers. Dit beginsel brengt mee dat rechterlijke uitspraken ook door een bestuursorgaan alleen aan derden mogen worden verstrekt indien daarbij in voldoende mate rekening wordt gehouden met het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. In dit verband kan worden verwezen naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wet openbaarheid van bestuur waarin wordt bepaald dat het verstrekken van informatie achterwege dient te blijven voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (zie Achtergrond, onder 3). Persoonsgegevens die voor de begrijpelijkheid van de uitspraak niet relevant zijn, dienen in beginsel dan ook te worden verwijderd. In de onderhavige aangelegenheid werd de uitspraak aan een derde toegezonden in het kader van een door deze derde aangespannen bezwaarschriftenprocedure in een vergelijkbare zaak, waarbij deze derde erop werd gewezen dat de in de bezwaarschriftenprocedure aan de orde zijnde vraag of Duitsland een land is waar sprake is van een wettelijk erkende adel en een met Nederland vergelijkbaar adelsstatuut, ook speelde in de toegezonden uitspraak. In dit licht bezien waren de persoonsgegevens van eisers in het geding niet relevant en had het Ministerie de uitspraak uit een oogpunt van bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in geanonimiseerde vorm aan de derde moeten toezenden. Dat dit niet is gebeurd, is niet juist.

De onderzochte gedraging van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is niet behoorlijk.
III. Ten aanzien van het aanbieden c.q. onder de aandacht brengen van de uitspraak door de secretaris van de Hoge Raad van Adel

1. Verzoeker klaagt er in de tweede plaats over dat de secretaris van de Hoge Raad van Adel voornoemde uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft aangeboden aan de hoofdredacteur van de periodiek "De Nederlandsche Leeuw" van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde te 's-Gravenhage, en deze uitspraak onder de aandacht heeft gebracht van het Centraal Bureau voor Genealogie.

2. Eén van de taken van de Hoge Raad van Adel is het verstrekken van advies en voorlichting aan rechtspersonen en particulieren op genealogisch en heraldisch gebied (zie Achtergrond, onder 4). Het toezenden c.q. onder de aandacht brengen van rechterlijke uitspraken als de onderhavige, kan worden gezien als een uitvloeisel van deze taak. Ook hier geldt echter dat rekening dient te worden gehouden met het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen en dat om die reden persoonsgegevens die voor de begrijpelijkheid van de uitspraak niet relevant zijn, moeten worden verwijderd. Nu de uitspraak is verstrekt in het kader van de adviserende en voorlichtende taak van de Hoge Raad van Adel, dat wil zeggen met het doel om geïnteresseerden in kennis te stellen van het standpunt van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zaken als de onderhavige en het oordeel van de rechter dienaangaande, hadden de persoonsgegevens van eisers moeten worden verwijderd c.q. had vermelding hiervan achterwege moeten blijven. Voor de begrijpelijkheid van de uitspraak waren deze gegevens immers niet relevant. Dat dit niet is gebeurd is niet juist.
Ook de onderzochte gedraging van de secretaris van de Hoge raad van Adel is niet behoorlijk.

CONCLUSIE
De klacht over de onderzochte gedraging van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is gegrond.
De klacht over de onderzochte gedraging van de secretaris van de Hoge Raad van Adel, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is eveneens gegrond.

RAPPORT 2001/287