zondag 7 oktober 2007

Adel jaagt op voormalig bezit


Adellijke families in Tsjechië willen hun bezittingen terug, maar stuiten op wantrouwen bij politiek en bevolking.

'Als Kinsky zijn bezit terugkrijgt, raken wij ons restaurant kwijt. Zijn familie bezat het halve land. Het zou toch volslagen onzin zijn als hij dat allemaal terugkrijgt?'

Voor Martin Pastyrik ligt het simpel: de claim van Franz Ulrich Kinsky op het Kinskypaleis in het hart van Praag en op zo'n 150 andere bezittingen in Tsjechië, met een totale geschatte waarde van veertig miljard kronen (1,4 miljard euro), is niet van deze tijd.

De barman in The George and Dragon is om persoonlijke redenen tegen teruggave: zijn familie pacht het café-restaurant sinds tien jaar van de staat en wil dat graag voortzetten. Onduidelijk is ook wat teruggave zou betekenen voor de afdeling van de Tsjechische Nationale Galerie die in het gebouw is gevestigd.

Als Kinsky de familietraditie volgt, overkomen het café en de galerie vermoedelijk weinig. Zijn grootmoeder vond dat het gebouw het algemene nut moest dienen; voor de oorlog huisvestte het paleis bijvoorbeeld het Praagse Duitstalige gymnasium. In de hal gedenkt een plaquette het winkeltje dat de vader van Franz Kafka daar had.
Een meerderheid van de Tsjechische bevolking deelt de mening van Pastyrik en politici weigeren de claims van een aantal oude adellijke families op hun voormalige bezit in te willigen. Het gaat om bezit met een aanzienlijke waarde. Zo wil een afstammelinge van de familie Schwarzenberg het kasteel van Cesky Krumlov terug. Geschatte waarde: 1,2 miljard euro.
Sommige adellijke families hebben bezittingen teruggekregen, maar dat ging om kleinere kastelen of landerijen. Bij de grote claims beroepen politici zich op de Benes-decreten, op basis waarvan Sudeten-Duitsers en nazicollaborateurs na de Tweede Wereldoorlog huis en haard kwijtraakten.

Maar volgens advocaat Pavel Alfery-Hrdina, die de belangen van een aantal adellijke families vertegenwoordigt, speelt afgunst de hoofdrol, zowel bij de onteigening als bij de weigering het bezit terug te geven. Ook Jiri Pehe, voormalig medewerker van oud-president Vaclav Havel, noemt de Tsjechische afkeer van de aristocratie als belangrijkste hindernis voor restitutie. "Die houding van politici brengt de rechtsorde in gevaar," aldus Pehe.

Niemand kan de Schwarzenbergs verwijten dat ze collaborateurs waren. Integendeel, het waren uitgesproken antifascisten en loyale Tsjechen die de regering in ballingschap in Londen met grote bedragen hebben gesteund. Toch hebben ze tot nog toe niets teruggekregen.

Bij de in Argentinië wonende Franz Kinsky ligt de zaak iets gecompliceerder. Zijn vader, die in de oorlog stierf, zou wel hebben gecollaboreerd. Dat werd na de oorlog, en nu nog steeds, als reden van de onteigening aangevoerd. "Maar Kinsky erfde zijn bezit als negenjarige jongen van zijn grootvader," zegt advocaat Alfery. "De onteigening was ook naar de toenmalige regels niet legaal."

In eerste instantie was een rechter het daarmee eens. Enkele jaren geleden kreeg Kinsky een stuk bos terug. Dat leidde tot grote politieke verontwaardiging en de uitspraak van de rechter werd in hoger beroep verworpen.
Daarna gebeurden vreemde dingen: rechtszaken werden op het laatste moment uitgesteld, rechters trokken zich terug omdat ze ziek waren en de kwestie bleef slepen. Volgens Alfery gaat het de adellijke families vooral om hun familiegeschiedenis. "Vaak realiseren ze zich niet echt wat ze vragen. Het beheer van zulke landgoederen vereist kennis die ze niet meer bezitten. Er zijn mensen die een halve ruïne terugkregen waar ze nu verarmd in leven zonder te weten hoe ze de zaak moeten aanpakken."

"Maar hun grote claims zijn ook een kwestie van tactiek," aldus Alfery. "Wie hoog inzet, krijgt misschien een deel terug. Mensen zijn best bereid tot koehandel, maar de politiek wil daar niet aan. Toch zou iedereen daar beter van worden. Veel onroerend goed staat nu te verkrotten, in afwachting van een uitspraak."

Runa Hellinga - Het Parool